DR. ABRAHAM KUYPER EN BEESD

Toespraak van Dr. G. PUCHINGER voor de Historische Kring West-Betuwe op 23 januari 1996 te Beesd

 

I

Het verhaal dat ik u vanavond mag doen, handelt over de innerlijke verandering van een jong, ambitieus academicus, dr. Abraham Kuyper, en een idyllisch, destijds totaal onbekend, en zelfs moeilijk bereikbaar dorp, Beesd. Het is gegrond op een tijdelijk samengaan van belangen gedurende vier jaren: het dorp had in 1863 een nieuwe predikant nodig wegens het vertrek van ds. M. Haag, en de jeugdige pas afgestudeerde Leidse geleerde, dr. Abraham Kuyper was aanvankelijk zeer gelukkig met het beroep uit Beesd, want er was in die tijd candidaten-overvloed, d.w.z. dat menige pas afgestudeerde theologische student lang moest wachten eer hij een beroep kreeg; bovendien kon het dorp Beesd aan de jonge candidaat een hoog salaris bieden, waarover Jo Schaay, de verloofde van Abraham Kuyper hem op 16 februari 1863 schreef: "Zoo'n prachtig dorp met zoo'n tractement dat is immers veel te groots en te mooi voor ons".

Om Abraham Kuyper en Beesd is het ons vanavond begonnen: welke invloed heeft dit dorp op het leven van de jonge Abraham Kuyper gehad? Of liever: wat gebeurde er hier in Beesd met hem, gedurende de vier jaren dat hij hier predikant was? Maar laat ons het verhaal beginnen, waar het begon....

 

II

Abraham Kuyper was van eenvoudige afkomst. Zijn voorvaderen onderscheiden zich slechts door de kerken waarin zij gedoopt of waarin hun huwelijken bevestigd werden.
De oudste ons bekende Kuyper is een Dirk Kuyper, een varensgezel, later witwerker, afkomstig uit Libau in Letland, geboren omstreeks 1707, die te Amsterdam in de Nieuwe Kerk aan de Dam huwde met Anna van Duyn. Zij kregen tien kinderen, waarvan het achtste een Abraham Kuyper was, die op 27 november 1750 in de Westerkerk te Amsterdam gedoopt werd. Van beroep was hij schuiermaker. Het was diens zoon, Jan Frederik, geboren te Amsterdam op 20 mei 1801, die de vader zou zijn van de Abraham Kuyper, over wie wij vanavond hier in Beesd bijeen zijn.
Over deze vader slechts enkele opmerkingen, die in verband met ons onderwerp van belang zijn, omdat daaruit blijkt dat hij van karakter een ondernemend man was.
Tot twee keer toe nam zijn leven een onverwachte wending.
Allereerst koos hij, anders dan zijn vader gehoopt had, niet de schuiermakerij als broodwinning, maar ging hij werken op een handelskantoor. Bovendien beheerste hij het Engels voldoende om enige Engelse tractaatjes voor het Godsdienstig Tractaat Genootschap in het Nederlands te vertalen, waarbij zijn kwaliteiten zozeer opvielen, dat de bekende ds. D.M. Kaakebeen, één der bestuursleden van het Tractaat Genootschap, de jonge Jan Frederik niet slechts voorstelde theologie te gaan studeren, maar hem daartoe tevens een beurs bezorgde. Op 22-jarige leeftijd ving hij te Amsterdam op het Athenaeum zijn voorbereidende studie aan, om daarna van 1825 tot 1828 te Leiden met goed gevolg theologie te studeren, want op 10 augustus 1828 werd hij door zijn weldoener ds. D.M. Kaakebeen te Hoogmade bij Woubrugge als predikant bevestigd.
Ruim twee jaar later verliet hij Hoogmade, om van 1830 tot 1834 te Geervliet, op het eiland Putten, te staan. Op 28 september 1834 deed hij intrede te Maassluis, waar op 29 oktober 1837 de beroemde zoon Abraham Kuyper geboren werd, op een Zondag, waarom zijn moeder hem vaak haar zondagskind noemde.

Van de jeugd van Abraham Kuyper weten wij, afgezien van enkele anekdotes, weinig, vrijwel niets. In april 1841 vertrok het predikantsgezin naar de hoofdstad van Zeeland, Middelburg. In 1849 volgde voor de vader een eervol beroep naar zijn oude academiestad Leiden, waar de jonge Abraham Kuyper op het gymnasium ging, waar hij les kreeg van de later zo bekende taalkundige Matthijs de Vries en de grote historicus R.J. Fruin, die hij als student aan de Leidse academie als hoogleraren zou aantreffen.
Op 16 juli 1855 werd de achttienjarige Abraham Kuyper te Leiden als student ingeschreven aan de Universiteit, en wel voor de Theologische Faculteit, waarbij wij te bedenken hebben dat de Theologische Faculteit in die jaren de Centrale Interfaculteit was van de Universiteit. De hoogleraren in die jaren aan de Universiteit waren weinige, maar doorgaans werkelijk hooggeleerd.
Hier nu in Leiden vond het grote voorspel plaats van de definitieve wending, die in Beesd het leven van de jonge predikant Abraham Kuyper zo aangrijpend zou veranderen, en vandaar dat ik, alvorens over Dr. Abraham Kuyper en Beesd te spreken, iets moet vertellen over Kuypers Leidse studietijd.

 

III

Voor de meeste studenten - totop vandaag toe - is de studententijd een periode van wereldverandering. Dat is ze ook voor Abraham Kuyper geweest, maar hoe anders dan velen ook vandaag nog steeds menen.
Want Leiden zelf onderging in de Theologische Faculteit via de colleges van de hoogleraren Scholten, Kuenen en Rauwenhoff een wereldverandering, doordat men de gehele protestantse kerkleer en theologische wetenschap opnieuw wenste te doordenken. Het leek erop dat de oude gereformeerde leer bij de Leidse hoogleraren op responsiecollege zat, en het danig moest ontgelden. Met name de colleges van prof. Scholten baarden groot opzien en maakten op de meeste Leidse studenten zoveel indruk, dat één hunner aan zijn vader, die predikant was, schreef: "Ik geloof werkelijk Scholten is meer, is grooter dan Paulus". Er waren studenten uit andere universiteitssteden die geld spaarden, en daartoe zuinig leefden, om enige maanden lang te Leiden de colleges van Scholten te volgen, om te horen hoe hij een nieuwe, moderne theologie, meeslepend doceerde.
En nu het opmerkelijke: anders dan men zou verwachten, en ook vele jaren heeft rondverteld, werd de jonge student Abraham Kuyper door dit alles wel aangeraakt - want wie van zijn toehoorders kon zich geheel onttrekken aan de indruk die Scholten op de studenten maakte? - maar niet meegesleept. De storm van theologische vernieuwing die over Leiden ging, en die de gereformeerde orthodoxie aanviel, nam hij nauwgezet waar, en ze maakte indruk op hem en zijn geloofsleven, maar het bracht hem niet, zoals bij veel medestudenten, tot een definitieve keuze die zijn leven voortaan en voor goed zou beïnvloeden. Reeds tijdens zijn studententijd zou hij op 22 oktober 1860 aan zijn verloofde Jo Schaay schrijven: "In de Theol. faculteit was er geen één prof. die me beviel". Op 5 april 1867 zou Kuyper aan Groen van Prinsterer vanuit Beesd schrijven: "Modern - neen, dat ben ik nooit geweest, - maar wel was helaas! het moderne onderwijs, dat ik te Leiden gebruiken moest, oorzaak dat ik een viertal jaren al dieper wegzonk in volstrekte neologie".
De voorstelling van zaken als zou Kuyper vanzelfsprekend in zijn studententijd Scholteniaan zijn geworden, is daarom onjuist. Het tegendeel is het geval. Kuyper, die zeer stipt zijn colleges volgde, woonde te Leiden thuis aan de Hoogewoerd, en studeerde wat hij kon op zijn kleine studeerkamertje, door hem eens Mijn Pathmos genoemd, in een brief aan zijn verloofde. Dat hij nijver studeerde is begrijpelijk, want hij moest het doen van een smalle beurs, die vader en zoon veel zorgen gaf. Daarom gaf hij sinds 15 maart 1859 iedere week bijlessen aan middelbare scholieren.
Maar hij onderging gedurende zijn studentenjaren tevens het lot dat ook sommige ander later grote theologen na hem hebben gekend, als Karl Barth en Miskotte: ónbevredigd door het onderwijs van zijn hoogleraren studeerde hij zelf, om in het oerwoud van wetenschap een eigen pad te hakken, dat méér voldeed dan het pad dat hem op de colleges gewezen werd. Het zij tot troost gezegd van hedendaagse studenten die mogelijk onbevredigd blijven door het geboden onderwijs: in geestelijk opzicht kan men nog altijd pogen eigen weg te zoeken èn te vinden!
Dit nu heeft de jonge Abraham Kuyper als student gedaan, met een noeste ijver en tomeloze werklust, die bij zijn hoogleraren respect oogstte, bij zijn vader zekere afkeuring ondervond, omdat de zoon zich z.i. teveel onttrok aan het gewone huiselijke gezinsleven.
Hierbij kan niet ontkend worden dat grote ambitie zijn deel was, omdat hij ieder onderdeel van de studie tot in de perfectie wilde beheersen. Levenslang zou Abraham Kuyper de eerzucht hebben om door noeste zelfstudie meester te zijn op alle gebieden waar hij naar voren trad, en dat betekende gedurende zijn studietijd dat hij zich op de examentijd steeds met koortsachtige ijver tot in de puntjes voorbereidde.

 

IV

Deze student, wiens enige ontspanning bestond uit één avond per week te gaan naar de sociëteit van het Leids Studentencorps, waarvan hij lid was, om daar zijn weinige vrienden te ontmoeten, en die slechts één hobby had: de beoefening van de Nederlandse taalkunde, die hij ijverig bestudeerde bij zijn oudleraar Matthijs de Vries, de enige Leidse hoogleraar die hij levenslang dankbaar zou zijn voor onderwijs en omgang - want van geen van zijn overige hoogleraren zou Kuyper ooit reppen - deze student liet in de zomer van het jaar 1858 het oog vallen op een vriendin van één van zijn zusters, de zestienjarige Johanna Hendrika Schaay, die ik voor ons onderwerp het liefst zou typeren met het bekende treffende woord van Goethe in zijn Faust over Gretchen:
Halb Kinderspiel
Halb Gott im Herzen.

Vanaf dat zij elkaar leren kennen, in 1858, kunnen wij iets van de jonge Abraham Kuyper weten, want hun honderden brieven die zij elkaar schreven, zijn bewaard gebleven, en sedert een tiental jaren voor studie beschikbaar. Zij zijn een klare bron voor wie de jonge Kuyper als persoonlijkheid en als aanstaand theoloog wil leren kennen. Over deze briefwisseling kan ik vanavond slechts één aspect naar voren brengen: Kuyper de opvoeder. - Hij wil zijn meisje, dat hij vurig liefhad, op hetzelfde intellectuele peil brengen, waarop hij zelf reeds stond: hij wenste dat zij literaire, liefst buitenlandse boeken las, en hem daarover haar oordeel schreef; hij zond haar religieuze vragen toe, die zij stipt moest beantwoorden. Dat zij door concert en theater geboeid was, vond hij van minder belang, dat achtte hij in feite nutteloos tijdverdrijf; Jo moest lezen, gedegen boeken lezen, en hem daarover haar oordeel zenden. Dat zij dit nauwelijks kon, wenste hij in zijn brieven juist met voortdurende stimulering en niet aflatende aanmaningen te overwinnen.
Een jonge geleerde, die voor haar bestwil, zoals hij het zag, streng voor haar was; hij altijd aan de studie, zij dagelijks bezet met het helpen van haar moeder in het huishouden, een moeder die niet begreep wat die kinderen elkaar steeds maar weer te schrijven hadden!
Natuurlijk kwam ook de religie in de briefwisseling ter sprake. Zij was allerminst wat de latere kerkhistoricus J.C. Rullman in 1928 noemde "een nog geheel ongeloovig, wereldsch meisje". Het tegendeel is waar: hoewel ze moeite had met het onder woorden brengen van haar geloofsovertuiging, was ze orthodox, althans heel wat orthodoxer dan de student Kuyper.
Deze tegenstelling in beider religieus standpunt, dat hen geen van beiden duidelijk voor ogen stond, was echter geen reden tot geestelijke verwijdering; temeer niet, omdat Kuyper in de brieven aan zijn verloofde met name haar intellectuele achterstand wenste te overwinnen.

 

V

Inmiddels wenste de jonge Kuyper reeds als student tot intellectuele erkenning te komen, en daartoe ging hij in op een vingerwijzing van prof. Matthijs de Vries, die hem wees op een prijsvraag van de Groninger Universiteit, die op 15 april 1859 was uitgeschreven over de Poolse reformator Johannes à Lasco (1499-1560).
Wij, die in de dagbladen overspoeld worden met mededelingen over winnaars van prijzen, waarvan de meeste lezers noch het bestaan van de winnaar noch van de prijs kennen, terwijl zij bovendien ontdekken dat menige prijswinnaar voor de zesde of zevende maal een prijs wordt toegekend, dienen te bedenken dat in het midden van de vorige eeuw het winnen van een Universiteits-prijsvraag méér betekende dan het behalen van een doctorstitel.
Om twee redenen is Kuypers arbeid aan deze prijsvraag ook wetenschappelijk van groot belang geweest. Allereerst, omdat, om over een auteur te kunnen schrijven, men zijn werken grondig moet hebben gelezen, maar, de titels van de werken van à Lasco waren wel bekend, maar niet waar en hoe ze te vinden waren, want de nijvere Jezuïten hadden de geschriften van de ketterse protestant à Lasco in de Reformatietijd verbrand. In heel Europa was hoogstens hier en daar nog een enkel exemplaar van die werken te vinden.
Het is het unieke werk van de jonge Kuyper geweest, dat hij niet alleen over à Lasco geschreven heeft, maar zijn tot dan toe door niemand gevonden boeken ook heeft opgespoord! Het is nauwelijks te beschrijven met hoeveel ijver de student Kuyper meer dan een jaar op deze prijsvraag - waar niemand anders zich aan had gewaagd - gezwoegd heeft.
Maar zowaar, op 15 juni 1860 berichtte hem de Groninger Theologische Faculteit, dat deze had besloten "de eenige verhandeling, in antwoord op hare prijsvraag ten vorigen jare uitgeschreven ontvangen, met de gouden medaille te doen bekroonen".
Dank zij financiële hulp van niemand minder dan koning Willem III, die de arme student te hulp schoot - want reis- en verblijfkosten waren ook toen hoog voor een arme student - reisde Bram naar Groningen, en na door de Groninger Theologische Faculteit te zijn geëxamineerd - men vergewiste zich officieel of de prijs werkelijk verdiend was! - werd de gouden medaille, die f 96,- waard was (een voor die dagen kapitaal bedrag!) op de diësviering van de Groninger Universiteit officieel uitgereikt. "Het is zoo'n goddelijke dag" schreef Bram op 11 oktober 1860 vanuit Groningen aan zijn Jo. Maar, als zo vaak in het latere leven van Abraham Kuyper, zouden ook zijn studententijd roem en tegenslag elkaar afwisselen: de onafgebroken studie voor de prijsvraag werd betaald met een langdurige overspanning, die een half jaar duurde. De hoogleraren zagen het met bezorgdheid aan....
Zijn erkenning had hij mede dank zij de Groninger prijsvraag reeds ontvangen, maar tegen het einde van 1861 moesten de hoogleraren Abraham Kuyper dwingen tot examen doen, want hij stónd op een cum laude, en meende dat hij daarvoor niet gereed was. Op 6 december 1861 deed Kuyper eindelijk zijn examen. De hoogleraren kenden er een summa cum laude aan toe!

 

VI

Op 15 december 1861 kon Bram aan zijn Jo schrijven: "Scholten en Kuenen hebben zich allergunstigst over mijn Examen uitgelaten, en gezegd dat ze bij 't geven van den 1sten graad alle consideraties van gezondheid en medaille gerust op zij hebben kunnen zetten. Aan jou mag ik dat immers wel schrijven Jo! of is dat bluffen? Je weet, dat was juist 't hoogste, waarnaar ik streefde, dat bereikt te hebben, zou dat me niet gelukkig maken?"
En dat de pas afgestudeerde Abraham Kuyper niet slechts "het oogelijn der theologische faculteit" werd genoemd, zoals mr. J.T. Bodel Nijenhuis op 9 oktober 1864 in een brief aan Groen van Prinsterer zou melden, maar hij ook in de literaire faculteit een zeer goede naam had, bewijst het feit dat Kuyper in februari 1862 - dus zeer kort na zijn examen - door de beroemde Leidse hoogleraar, de graecus C.G. Cobet (1813-1889) als zijn assistent gevraagd werd, waarvoor Kuyper, vanwege het zeer lage salaris, echter bedankte. Trouwens, hij wilde theoloog zijn. Maar het feit dient nader bekend te worden, want Cobet was in zijn dagen een internationale beroemdheid!
Hoewel Kuyper het plan had te promoveren op een biografie over à Lasco, stonden de Groninger en Leidse theologische hoogleraren hem toe op een omwerking van zijn prijsvraag-beantwoording te promoveren, een vergelijkende studie inzake de opvattingen van Johannes Calvijn en Johannes à Lasco inzake de kerk, omdat hij door zijn ziekte reeds veel tijd verloren had, en hij hoog nodig beroepen moest worden, om zijn brood te verdienen. En zo promoveerde Abraham Kuyper op 20 september 1862 bij de vermaarde J.H. Scholten als promotor met de hoogste lof tot doctor in de theologie.

 

VII

In zekere zin is ieders leven een kruising van succes en tegenslagen, maar zeker is dit levenslang het geval geweest bij Abraham Kuyper, hoezeer zijn volgelingen en sommige geschiedschrijvers zijn loopbaan hebben willen doen voorkomen als één grote zegepraal! Want na zijn promotie trad voor hem een maandenlange periode van beproevingen aan: hij was beroepbaar gesteld, maar kreeg niet spoedig een beroep; hij moest lang wachten, en menige plaats waarop hij gehoopt had ging hem voorbij.
In die maanden van beproeving vond er in het hart van de jonge doctor bovendien een belangrijke wending plaats in zijn geloofsleven.
Wij hebben hier te bedenken dat de ernstige bekering tot God in de vorige eeuw voor velen een duidelijk aanwijsbaar feit was. Wij vinden deze dateerbare ingreep bij Groen van Prinsterer (bij het begin van de Belgische crisis in 1830), bij de jonge mr. Theo Heemskerk, de latere minister-president, en zelfs nog bij Colijn in februari 1893, en in deze eeuw op 2 juli 1912 bij de bekende gereformeerde literator dr. Cornelis Rijnsdorp.
De tienjarige Abraham Kuyper schreef reeds het volgende op: "A. Kuyper J.Fzn. Een gedachtenis die Heilig is. Aan God in den Hemel. Aan den Vorst der vorsten uit een nedrig hart: Het was den 10 October 1848 ten 10½ uur dat ik mij te bed begaf en van onrust over het kwaad dat ik bedreven had niet slapen kon. Alstoen 11¼ dat ik mij bekeerde en een vast besluit nam het kwade te vlieden en het goede te streven. Ik Abraham Kuyper J.Fzn. Middelburg. 1848."
Het is een kinderlijke notitie, maar ze doet waarachtig aan. Het bewijst dat hij van jongs af aan met de religie is bezig geweest. Maar in de periode dat hij vol zorg op een beroep wachtte, toen hij dus reeds doctor in de theologie was, zou hij opnieuw geplaatst worden voor de religieuze bekering.
Aanleiding daartoe werd het lezen van een boek, dat hem door zijn verloofde Jo Schaay geschonken werd: De erfgenaam van Redcliffe van de Engelse schrijfster Charlotte Mary Yonge, een boek dat geschreven was mede onder invloed van John Keble, één van de leiders van de Oxford Movement, die met name door de geschriften van Newman en Pusey, een zuiverende werking heeft uitgeoefend op de Anglicaanse Kerk in het begin van de vorige eeuw.
In dit boek worden twee karakters getekend: dat van de wilskrachtige Philipp en dat van de veel mildere Guy. - Het was gedurende het lezen van deze roman dat zich in het hart van de jonge Abraham Kuyper een grote verandering voltrok. In zijn geschrift de Confidentie schreef Kuyper later: "O! toen was het, of in den afgebroken Philipp mijn eigen hart verbrijzeld werd, alsof elk woord van zelfveroordeeling, dat hij sprak, mij een oordeel over eigen streven en karakter door de ziel sneed, en ik benijdde den gelukkigen boeteling" (pag. 41-42). Hij zag nu in dat niet het sterke en grootse, dat hij aanvankelijk in Philipp bewonderd had, het ware is, maar het zuivere van Guy, ook al is het zwak. Tijdens het lezen van deze roman vond bij hem plaats wat Kierkegaard "het grote aardbeven" noemde, en waarover hij op 2 maart 1862 aan zijn verloofde dit schreef: "'t Was niet goed met me. Ik was te zelfgenoegzaam, te eerzuchtig, te egoistisch, te weinig edel, te weinig kind van God. Jarenlang heb ik mijzelven bedrogen, en me wijs gemaakt dat ik goed deed, mijn geweten, mijn kinderlijk gemoed in slaap gewiegd, - ik wist niet meer wat zonde was, ik kende geen berouw. - - - Ik kon mij niet inhouden, 't was al half een, - ik was alleen in mijn kamertje, en ging naar boven, en viel op mijn knieën en bad, lang en vurig. Zoo had ik het in jaren niet gedaan. - - - En heb ik God gezocht? Neen de deugd, een begrip, een ideaal - dat was al mijn dweepen, dat paste zoo bij mijn eerzucht, - dat heeft mij staande gehouden, en zoo ver gebracht. - Maar God heb ik niet gekend, - omdat belijdenis van zonden, en diep, innig berouw van een gebroken hart nog vreemde klanken voor mij bleven, en niet woonden in mijn hart. Als ik aan een ander dan jou schreef mijn beste Jo!, dan verscheurde ik mijn papier, en ik zou vrezen, dat men de belijdenis mijner worsteling slechts voor nieuwe uiting aanzag van mijn eerzuchtig hart - ; maar jij denkt dat niet, dat weet ik".
Het was dit proces van ethische bekering - want een proces was het! - dat de trotse Abraham Kuyper deed inzien dat hij een slecht mens was, die moest leren bij genade te leven, zoals ook Maarten Luther ontdekt had.

 

VIII

Inmiddels was het jaar 1862 voorbij gegaan, zonder dat er een beroep kwam. De gemeenten zochten geen doctores in de theologie; ze stelden geheel andere dan theologische wetenschappelijke eisen. Nadat Abraham Kuyper ondanks een preekbeurt te Varsseveld daar geen beroep had gekregen, schreef hij op 10 februari 1863 aan Jo: "Weet je waar 't aan lag. Op de galerij hadden ze me niet verstaan, overigens waren ze zeer met de preêk ingenomen." Maar in diezelfde brief had hij geschreven: "Dan is er nog een plaatsje open Jo!, een juweeltje, de naam is niet mooi, Beest, maar er is een tractement van f 2400,-. Daar wordt ook een Candidaat beroepen. Maar o ramp! ik heb er geen één relatie. - en de heele zaak is er in handen van Graaf van Bylandt tot Marienweerdt, die daar ook woont, en nu kan ik maar niemand vinden, die die man kent. Jammer hê. Ik zal doen wat ik kan".
Op 15 maart schreef hij zijn verloofde opnieuw over Beesd: "Nog nooit heb ik over een plaats in zoo noodlottige spanning verkeerd, als daarover. Ik beweeg er hemel en aarde voor. Zal 't helpen, zal ik er preêken, - en zal dat geluk aanbrengen, of slechts mijn teleurstelling met een driedubbel zoo zwaren vermeerderen? Dat spant me op akelige wijze Jo!" Het geluk was met hem, want op Goede Vrijdag, 3 april 1863 mocht Abraham Kuyper inderdaad hier in Beesd komen preken. Over zijn preek schreef Abraham Kuyper aan zijn Jo: "Ik ben bezig aan mijn preêk voor goede vrijdag. Maar 't tooneel is mij te grootsch en te machtig. Ik kan mijzelf niet voldoen. Wel lees ik veel, wel doet 't me goed, zoo eens dagenlang alleen te zijn met 't Kruis van den Christus voor me. Maar de eischen zijn zoo hoog! Aan ernst zal 't in mijn preêk niet ontbreken, aan liefde voor Jezus evenmin, - maar zal ik die diepe toonen kunnen aanslaan, die hier moeten trillen. Wonderlijk vind je niet Jo! ik werk niet gejaagd. Ik blijf kalm".
De preek van Abraham Kuyper op Goede Vrijdag, hier in de kerk te Beesd, moet goed bevallen zijn, want reeds op tweede Paasdag, 6 april 1863 vergaderde de kerkeraad en besloot Kuyper te beroepen. Nog diezelfde dag deed men de beroepingsbrief uitgaan, die luidde: "De Kerkeraad der Ned. Hervormde Gemeente te Beest, Classis Z.Bommel, op heden vergaderd zijnde, heeft besloten in de aanstaande Vacature, die ontstaan zal door het vertrek van den tegenwoordigen Leeraar, den Heer M. Haag naar Breda, te voorzien, door het beroepen van den Eerw. Heer A. Kuyper Theol. Doct. en Candidaat tot de H.D. bij het Provinciaal Kerkbestuur van Z. Holland en verbindt zich bij dezen om genoemden Heer A. Kuyper tot Herder en Leeraar dezer Gemeente te zullen beroepen, zoodra de Vacature zal zijn ontstaan en de wet op de Vacature zulk een beroep veroorloven zal. Gedaan in onze Vergadering van 6e April 1863. De Kerkeraad Voornoemd : M. Haag, Praeses, I. van Eck, H.M. van Welij, B. Krul, M. Krul, A.J. van Buuren".
Candidaat Kuyper moet bijzonder ingenomen zijn geweest met dit beroep, want nu kon hij trouwen, wat op 1 juli 1863 gebeurde, terwijl in de loop van deze maand tevens een eerste kennismaking plaats vond met Beesd, waarover de altijd organiserende en stimulerende Kuyper heel typerend aan zijn jonge vrouw schreef: "Zorg jij intusschen 1e voor goede zelfbeheersching. Denk er veel aan, welk een houding je op Beest als Dominésvrouw past. Eenvoudig als een kind, maar met de waardigheid van de vrouw. 2e voor je toilet. Een eerste indruk beslist vaak. Kies alles zelf, - maar offer je toekomst niet aan een ogenblikkelijke pronkzucht op".
De intredepreek die Kuyper, na 's morgens door zijn vader bevestigd te zijn, op zondag 9 augustus 1863 hield, handelde over 1 Joh. 1:7: "Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander". Over deze preek, die ik elders uitvoerig behandeld heb, blijkt dat de nieuwe predikant - en hoe typerend voor hem, vooral voor ons, die zijn hele leven kunnen overzien - een gemeenschap zocht, zoals hij in zijn preek opmerkte: "Of raadt ge het dan niet met wat hevigheid de behoefte aan die gemeenschap zich in mijn eigen hart gevoelen doet".
Zijn intrede in Beesd vormde in principe het afscheid van zijn theologische hoogleraren, maar ook van zijn vader en diens theologische opvattingen. Naast dank voor zijn opvoeding was er de pijn van het uiteengaan, waarover de jonge predikant onverbloemd opmerkte: "Vaneengaan, ja, Vader! dat moeten we, en dat 't zeer doet, zal ons beider hart 't beste weten, als 't uur van scheiden slaat, maar als 't woord wat ge in het morgenuur mij op 't harte gelegd hebt, mij maar heilig blijft en mijn wandel bestuurt, ga dan in vrede van mij Vader! en weet het dat Uw zoon gelukkig is, gelukkig in 't bezit eener Gemeente, waar alles zoo vriendelijk hem tegenlacht".

 

IX

Zeker, maar eenmaal in Beesd, in dit dorp levend, onderging ook Abraham Kuyper alle eenzaamheden en wisselvalligheden die een jonge predikant in zijn eerste gemeente ondervindt.
De licht ontvlambare Kuyper, die in zijn persoonlijk leven, éven voor hij naar Beesd kwam, beroerd was door de zuivering van geest die de Oxford Movement in de Anglicaanse Kerk had gebracht, kwam naar Beesd met zeer hoge idealen, die ik nergens beter door hem vertolkt heb gezien dan in wat hem reeds in september 1860 in een brief aan zijn verloofde uit de pen vloeide: " - - - de keus doen, die mijn geluksstar mij wijst. Die geluksstar klimt hoog aan den hemel van mijn leven - zoo maar niet te hoog. - Behoede God mij voor zelfverheffing - weere God het van mij af dat eenmaal op mijn graf mijn levensgeschiedenis in één woord zou kunnen geschreven worden - in 't bittere ijzige woord Teleurstelling. O! Onderhoud toch mijn eerzucht, voed en prikkel mijn ambitie, wek mij op en spoor me aan om niet te rusten of te luieren, wijs mij op de gevaren die ik moet te boven komen, en wees zoo mijn goede Schutsengel, door God me beschikt om te worden wat ik worden kan".
Maar in Beesd beving hem de angst, die hij reeds in zijn studententijd herhaaldelijk uitte: dat hij in een dorp niet alleen vergeten, maar daarbuiten zelfs niet eens opgemerkt zou worden. Want niets lag verder van Kuyper verwijderd dan het ideaal dat hij verachtte: 'Met Marietje in een heel mooi pastorietje'. Hij wilde naast, en liefst boven zijn gewone predikantswerkzaamheden - preken, huisbezoek, catechisaties, armenzorg en classesvergaderingen - iets presteren, voorlopig op wetenschappelijk gebied. Dit achtte hij aan zich zelf en aan zijn studie verplicht. Na zijn proefschrift over Calvijn en à Lasco wenste hij nu de door hem gevonden latijnse geschriften en brieven van à Lasco uit te geven, en deze enorme prestatie gelukte hem: in 1866, toen hij drieëneenhalf jaar in Beesd stond, gaf Kuyper in twee delen de werken en correspondenties van à Lasco uit, ingeleid door een latijnse Inleiding van 120 pagina's van Kuyper zelf, een uitgave die in de wetenschappelijke wereld van binnen- en buitenland opzien baarde en erkenning vond.

Wanneer de jonge Abraham Kuyper na zijn dissertatie enkel deze bronnenuitgave had gepubliceerd, dan had hij ruimschoots een naam verdiend onder de beoefenaren van de internationale kerkgeschiedenis. Niemand minder dan de Leidse historicus R.J. Fruin schreef hem op 20 maart 1866 naar Beesd: "Gij hebt vooral bij het verzamelen van Uw bouwstof een volharding en een moed getoond, die niet alledaagsch zijn, en die door de uitkomst beloond en gerechtvaardigd zijn geworden. De meeste menschen gaan niet verder dan hartelijk te wenschen wat zij begeeren. Gij hebt het willen bereiken, en Ge hebt U door geen tegenspoed laten afschrikken. Het is, zelfs voor mij, die slechts toeschouwer ben, een genot te zien hoe de opuscula en de opera, die tusschen Petersburg en Dublin in allerlei bibliotheken verscholen lagen, door U bijeengebracht en in Uw uitgave vereenigd zijn. Voor U moet het genot oneindig levendiger wezen, daar het de kroon is van Uw werk".
Dit over de succesvolle voortzetting van zijn wetenschappelijke arbeid in Beesd; maar in Beesd zelf was men heel wat minder over de jonge predikant te spreken. Niet dat hij niet beantwoordde aan de eisen die het predikantschap stelde, noch raakte het het feit dat hij niet altijd gemakkelijk in de omgang was, en bij meningsverschillen soms kon opstuiven. Maar zijn herhaalde reizen naar het buitenland - voor onderzoek in archieven - zagen de boeren en arbeiders van Beesd, die zelf het dorp zelden of nooit verlieten, als onnodig en toch eigenlijk als ongewenst. Het feit dat de dominee zelfs in dagen van veepest - die voor het bestaan van de boeren zeer bedreigend waren - soms afwezig was, keurden zij rondweg af.
En toch waren het niet enkel deze strubbelingen en, ook van Kuypers kant, wrijvingen - bijvoorbeeld met de kasteelheer, de graaf van Bylandt van Marienweerd, die president-kerkvoogd was - die moeilijkheden gaven, want zulke irritaties komen méér voor tussen een gemeente en een jonge, zelfbewuste predikant.
De blijvende invloed die Kuyper van zijn kerkelijke gemeente onderging was een geheel andere, en kwam voor hem van een kant die hij in 't geheel niet voorzien had: van een in feite randkerkelijke groep, die wat wij vandaag zouden noemen super-orthodox was, een groepering, áls men het een groepering mocht noemen, waarmee hij aanvankelijk geen enkel contact had. - Anders dan de Afgescheidenen van 1834, die in Hendrik de Cock van het noordelijke Ulrum hun nooit vergeten kordate voorman hadden gevonden, waren deze stillen in den lande onopgemerkt binnen de Nederlandse Hervormde Kerk gebleven, in eigen kring een stil en bevindelijk leven leidend, waarvoor de overige gemeenteleden geen sympathie, en dominee Kuyper aanvankelijk zelfs geen oog had.
Om te weten hoe Kuyper zelf als predikant deze groep ervoer, is het gewenst uit zijn geschrift de Confidentie een duidelijk en boeiend citaat weer te geven, dat ons helder voor ogen stelt hoe de geestelijke ontmoeting was tussen de jeugdige predikant en deze van overtuiging onwrikbare gemeenteleden. Wij hebben te bedenken dat de Confidentie uit 1873 aanvankelijk aangevangen was als kerkelijke strijdbrochure, maar dat Kuyper daarin spontaan een uitgebreide autobiografische herinnering invlocht van zijn geestelijke ommekeer te Beesd. - Men heeft de altijd haastige schrijver Kuyper in dit geschrift op enige onjuistheden willen betrappen - zoals de journalist Kuyper meer is overkomen - maar de geestelijke sfeertekening tussen hem en de overtuigd-orthodoxen van zijn dorp geeft toch treffend juist weer hoe Kuyper op deze groep en op deze periode in Beesd terugzag.
Kuypers beschrijving in de Confidentie luidt aldus:

Ik hoorde wel, dat er een klein aantal malcontenten onder de kudde school, maar het gerucht sprak van deze betweters eer kwaad dan goed. Dat waren een stukwat kitteloorige, hoogmoedige zonderlingen, 'die het elken dominé lastig maakten', en bovendien meerendeels van zoo onbeduidende maatschappelijke positie, dat men het best deed zich niet aan hen te storen en evenals vorige predikanten voor hen uit den weg te gaan. Intusschen, daartoe kon ik niet besluiten, en met een bevend hart, zoals een jong predikant zulke vuurtjes tegengaat, klopte ik, op den gang van mijn huisbezoek, ook bij die 'fijne' dwepende lieden aan. Ik werd er verre van innemend ontvangen. Men had wel van de buitenwacht gehoord, dat mijn orthodoxie nog in de geboorte stak, en minder den mensch, dan de waardigheidsbekleeder van een hun niet genegen kerk in mij ziende, zette men zich tegen mij in verweer. Toch stieten deze eenvoudige, zij het ook ietwat geprikkelde zielen, mij niet af. Hier, dat voelde ik, zat ten minste de sleur niet. Hier sprak een overtuiging. Hier had men nog wat rijker voorraad voor het gesprek dan over 'mooi weêr', en over 'dat die ziek was' en 'die zijn knecht was weggezonden'. - Hier was mijn belangstelling in een geestelijke orde van zaken. Bovendien, er was kennis. Ik kon mij met mij povere bijbelkennis, die ik aan de Academie opdeed, niet met deze eenvoudige lieden meten. En niet alleen bijbelkennis was er, maar ook kennis van een goed geordende wereldbeschouwing, zij 't ook naar oud-gereformeerden trant. Het was mij soms, of ik op de collegebanken mijn talentvollen leermeester Scholten over de 'leer der Hervormde Kerk' hoorde leeraren, edoch met omgekeerde sympathie. En, wat voor mij althans de meeste aantrekkelijkheid had, hier sprak een hart, dat een geschiedenis, dat een levenservaring, dat eigen gewaarwordingen en aandoeningen niet slechts had, maar ze ook kende. Dit maakte dat ik terugkwam. Dat terugkomen wekte genegenheid. Zoo geraakte ik in gesprek. De woordenstrijd nam allengs een einde. Wel deed ik mijn best, om mijn eer als predikant op te houden, maar toch ondanks mijzelven, voelde ik bij die ontmoetingen meer neiging tot luisteren dan tot spreken, en onwillekeurig merkte ik, dat na zulk een samenspreking, het prediken op den Zondag beter vlotte. Toch hinderde het mij, dat men zoo stijf op zijn stuk stond. Zooveel inschikkelijkheid, als ik betoonde, had, meende ik, op eenige toegevendheid aanspraak. Maar neen, van toegevendheid nooit een zweem. Ik merkte zoo, het was die lieden niet om mijn toegenegenheid, maar om de triomf van hun zaak te doen. Ze wisten van geen schikken of plooien, en al meer kwam ik voor de pijnlijke keus te staan, van of mij scherp tegen hen te zetten, of onverbiddelijk mee te gaan tot 'de volle souvereine genade', zooals zij het uitdrukten, in beginsel erkend was, zonder dat een plaatsje hoe klein ook overbleef voor de veiligheidskleppen, waarin ik heil zocht. Welnu, ik heb mij n i e t tegen hen gesteld, en ik dank nog mijnen God dat ik die keuze deed. Hun taaie volharding is mij de zegen voor mijn hart, het opgaan van de morgenster voor mijn leven geworden. (Pag. 44-45).

In dit verband moet ook de naam van Pietje Baltus (1830-1914) genoemd worden, een arme molenaarsdochter, die ten tijde van Kuypers predikantschap te Beesd nog jong was, midden in de dertig, al kennen wij haar alleen van afbeeldingen toen ze oud was, want ze werd vierentachtig jaar.
Het is bekend hoe zij, bedeeld door de kerkelijke diakonie, ds. Kuyper bij diens poging tot huisbezoek, de hand weigerde, omdat zij in hem een onvolwaardige predikant zag, die niet het volle Evangelie verkondigde.
Dit was harerzijds niet alleen een daad uit overtuiging, maar ook van grote moed, want reeds ging ze niet ter kerke (uit protest tegen de prediking) maar bovenal beledigde zij thans de predikant, waardoor zij, afhankelijk van de diakonie, in grote financiële moeilijkheden zou kunnen komen.
En nu de reactie van ds. Kuyper daarop....
Men heeft soms gesproken en geschreven over het minder fraaie karakter van dr. Kuyper, maar hier betoonde hij dat hij een goed karakter had, want het had voor de hand gelegen dat hij door de weigering van Pietje Baltus om de predikant (een hele autoriteit in die dagen!) de hand te geven zich diep beledigd had geacht. Maar dat was hij niét! Het is aandoenlijk de jonge, nog geen dertigjarige dominee Kuyper bij haar te horen aandringen hem toch een hand te geven, en daarna de voorzichtige toenadering van Pietje Baltus, zonder overigens ook maar iéts van haar principe af te doen: ze gaf hem de hand, maar, naar ze hem zei, dan louter als mens.
Het is de grootheid van de jonge Abraham Kuyper jegens haar geweest, dat hij zich niet beledigd van haar huisje heeft afgewend, en nooit meer is teruggekomen, aan zijn ouderlingen en diakenen en wie het maar horen wilde vertellend hoe hij door haar persoonlijk geschoffeerd, ja grof beledigd was, maar dat haar inderdaad wat krasse houding hem tot diep nadenken heeft gebracht, en dat hij Pietje Baltus na haar dood op 30 maart 1914 in een artikel in het dagblad De Standaard herdacht heeft, onder meer met de woorden: "Het kenmerkende in die toen nog jonge vrouw was haar beslistheid. - - - Ze stond op volle belijde-nis van het geloof waarvoor onze martelaren gestorven waren. In al dat schikken en plooien en toegeven had ze den dood gezien. Ook toen Dr. K. predikant geworden was, wilde ze niets van hem weten. Toch heeft er toen een ontmoeting plaatsgehad, en in zooverre bracht die ontmoeting in Dr. K.'s overtuiging een keer, dat hij op eenmaal in deze vrouw de kracht van het absolute greep, en met alle halfslachtigheid brak. Toen volgde kennismaking met der vaderen geestelijk erfgoed. Dordt, dat eerst had afgestooten, trok van toen af aan. Van Calvijn ving hij de lichtstralen op. Die eenvoudige vrouw had de lijn van zijn leven van half naar heel omgebogen, en steeds bleef het Dr. K.'s dankbare erkentenis, dat hij eerst door haar kennismaking gebracht was, waar hij voelde thans te moeten zijn".

 

X

Laat inmiddels niemand denken dat deze geestelijke verandering in de jonge Kuyper in één moment en zonder veel strijd plaats vond: het was een langdurig proces van geestelijke worsteling, die hier in de Beesder pastorie plaats vond. Kuyper heeft hier in zijn pastorie perioden van zware overspanning gekend, waarin hij, van tafel opstaande luidkeels psalm 42: 5 zong: "Maar de Heer zal uitkomst geven".
Op Zondag 12 juli 1987 hoorde ik gedurende een dienst hier in de kerk van Beesd psalm 39 lezen (vers 11-13), die wel zeer toepasselijk is op de zieleworsteling van de jonge Kuyper te Beesd:

Neem Uwe plaag van mij weg
ik bezwijk onder de bestrijding van Uw hand.
Kastijdt Gij iemand
met straffen om zijn ongerechtigheid,
dan doet Gij zijn schoonheid te loor gaan als door een mot;
immers is ieder mensch een ademtocht.
Hoor, mijn gebed, Heere, en neem mijn hulpgeroep ter oore,
zwijg niet bij mijn geween,
want ik ben een vreemdeling bij U,
een bijwoner gelijk al mijn vaderen.

Het probleem waarvoor Kuyper in Beesd thans stond formuleerde hij in zijn Confidentie als volgt: "Wel had ik met Calvijn, wel had ik met à Lasco kennis gemaakt, maar hen lezend kwam het nooit in mij op te denken, dat dit nu de waarheid was. Mijn hart stond er nog tegen. Ik las en bestudeerde ze voor een historisch vraagstuk, over een formeele kwestie, en scheurde hun kerkelijk inzicht eenvoudig van hun levenswortel af. - - - En wat bleek nu? Immers, dat die in een hoek verscholen arbeiders, het mij in hun plat-Betuwsch gezegd hadden, juist zóó als Calvijn het mij in zijn keurig Latijn te lezen gaf. Calvijn zat, hoe misvormd ook nog, in die eenvoudige landslieden, die zijn naam nauwlijks van hooren zeggen hadden, en Calvijn had zóó geleeraard, dat men hem, nog eeuwen na zijn dood, in een vreemd land, in een vergeten dorpske, in een met pannen bevloerd vertrek, met een gewoon arbeidersbrein b e g r e e p ".

Kuyper heeft gedurende zijn academische studie te Leiden de grondslag gelegd voor een zeer gedegen theologische kennis, waardoor het mogelijk was dat hij uitgroeide tot één van de meest vooraanstaande Nederlandse theologen van de negentiende eeuw, wiens theologisch werk ook gedurende de gehele twintigste eeuw een belangrijke rol speelt. Maar wat hij in Leiden, ondanks alles wat hij daar genoten had, niet ontvangen heeft was waar het iedere theologant toch ten diepste om te doen is: om brood voor het hart.
Dat heeft hij, niet zozeer door studie, maar door moeizaam gesprek met de allereenvoudigsten hier in Beesd gevonden, gevonden voor zijn gehele leven!
O zeker, Beesd is ook om andere redenen voor Kuyper van belang geweest: hier werden zijn eerste twee zonen geboren: op vrijdagavond 22 juli 1864, na zware bevalling, die Kuyper nooit vergeten zou, zijn oudste zoon Herman Huber, de latere kerkhistoricus en kerkrechthoogleraar van de Vrije Universiteit; op 12 februari 1866 zijn tweede zoon, Jan Hendrik Frederik. Gedurende zijn Beesder tijd zou op 11 april 1866 zijn studievriend Jan Petrus Mond - eveneens predikant - die pas twee jaar met Kuypers lievelingszuster Anna Christina Elisabeth gehuwd was, overlijden, iets wat diepe indruk op de jonge Kuyper maakte.
Vanuit Beesd ook legde Kuyper in 1864 als kerkhistoricus schriftelijk contact met Groen van Prinsterer, wiens politieke vaan Kuyper met overtuiging zou volgen. Van hieruit zijn de eerste contouren te zien van nog een andere worsteling die de jonge Kuyper doorstond, en wel inzake de vraag wat hij maatschappelijk beoogde: op kerkelijk terrein een vooraanstaande rol te spelen óf in de politiek te gaan. Wij weten dat het de begaafde Kuyper gelukt is om èn in de kerk èn in de Staat de hoogste toppen te bereiken: een hoogleraarschap in de dogmatiek èn het minister-presidentschap. Maar te Beesd was het enkel als theologisch scribent dat hij zich manifesteerde. Hier publiceerde hij in 1867 zijn eerste kerkelijke brochure, over het kerkelijke stemrecht, waarover de anders zo kritische Groen van Prinsterer hem op 4 april 1867 prijzend schreef "dat uwe brochure het merkwaardigste is onder wat over la question brûlante het licht ziet".
Maar toch, het was zoals dominee Kuyper in juli 1867 vanuit Londen schreef aan de molenaar A.J. van Buuren, de enige ouderling met wie hij bevriend was: "Beesd, dat voelde ik zelf, kon mijn levenscarrière niet zijn, daartoe paste mijn gansche persoonlijkheid te weinig bij het Betuwsche type". Beesd moet voor de jonge Kuyper aanvankelijk boeiend, maar later benauwend zijn geweest.

 

XI

Vandaar dat het op 17 juni 1867 op hem uitgebrachte beroep uit de orthodoxe Universiteitsstad Utrecht voor Kuyper als een bevrijding kwam.
Op Zondag 3 november 1867 preekte hij te Beesd afscheid over de merkwaardige tekst van Mattheüs 6:12: "En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".
Ik citeer twee uitspraken uit deze afscheidspreek. Allereerst een uitspraak, waarin scherpe verwijten doorklinken, waarin wij de later zo strijdbare Kuyper volop herkennen:
"Vooral van het ogenblik af dat ik mij met voller overtuiging aan de heerlijke rechtzinnige volheid van het Evangelie heb aangesloten, is er van meer dan eene zijde een afkeer tegen mij openbaar geworden, die van haat niet altijd verre bleef, en mijn streven veroordeelde, omdat ik den strijd eer zocht dan meed waar 't mijn beginselen gold, en steeds volstandig weigerde anders dan met open vizier den strijd te doorworstelen, dien ik uit plichtsbesef had aangegaan. O, menschelijk is mijn hart en niet ongevoelig is het van nature - ja, ik heb ze gevoeld, soms diep gevoeld, die bitterheden die mij in 't aangezicht gezegd, die krenkingen mij in mijn betrekking aangedaan, die lasteringen achter mijn rug uitgestrooid, niet slechts door een enkele, maar door zoovelen als zich beurtelings tegen mij gekant hebben. En nu, wat ik niet doen kan, is over dien strijd berouw hebben, - weer voor die proef gesteld zou ik misschien krachtiger nog mijn beginselen handhaven, maar ze minder ijverig verdedigen stellig niet - maar toch, ik ga daarom niet van u met een grief, een verwijt, een wrok in 't hart, - neen, de smart is geleden, en daarmee de pijnlijke aandoening voor mijn menschelijk gevoel".
Hier sprak de predikant aan wie slechts één gemeentelid verzocht had dat hij het Utrechtse beroep zou afslaan en in Beesd zou blijven: zijn vriend de ouderling-molenaar A.J. van Buuren.
Anderzijds was er bij de afscheid nemende Kuyper ook een gevoel van voorzichtige erkentelijkheid, toen hij over zijn tijd te Beesd opmerkte: "Die vier jaren die achter mij liggen zijn zoo rijk aan vorming en ontwikkeling voor mij geweest. Wie weet, wellicht ongemerkt is daarbij ook van velen uwer kracht op mij uitgegaan en hebt ge het uwe er toe bijgedragen, om mijn vorming een schrede verder te brengen".
In zijn intreerede op Zondag 10 november 1867 in de Utrechtse Domkerk verklaarde hij openhartig: "Gaarne kom ik er voor uit, dat zoodra uw roeping tot mij kwam, het denkbeeld mij machtig streelde, om voortaan in een der brandpunten van hooger geestesleven te verkeeren, en in ruimer werkkring op breeder schaal die waarachtige levenssympathie te vinden, die mijn toenmalige gemeente slechts in beperkte mate bieden kon".

 

XII

En toch is Beesd voor Abraham Kuyper, ook volgens eigen getuigenis, méér geweest dan een simpele start voor een grootse kerkelijke, politieke en wetenschappelijke loopbaan; méér geweest dan een donkere tunnel waar hij doorheen moest vóór hij in het land van belofte kwam, waarin zijn redevoeringen en geschriften in Nederland werkelijk een wending ten gevolge zouden hebben.
Zeker, het onderscheid tussen het afgelegen Beesd en het landelijk centraal gelegen Utrecht was groot. In Beesd was zowel onbegrip voor de orthodoxe wending die de jonge predikant had doorgemaakt als voor zijn veelvuldige afwezigheid, wanneer hij voor zijn archiefonderzoek verre landen en steden bezocht.
Utrecht was, althans vergeleken met Leiden, zelf orthodox; hier stond de Academia Voetiana, en hier wachtte hem een aandachtig gehoor, dat hem zowel spiritueel als intellectueel zou inspireren. En daarbij, zelfs wanneer hij de rest van zijn leven in Utrecht zou blijven, mocht hij er trots op zijn nog vóór zijn dertigste jaar beroepen te zijn in een stad waar hij naast ontwikkelde burgers ook studenten en hoogleraren onder zijn gehoor zou tellen.
Maar Beesd vormt een nooit te onderschatten keerpunt in het leven van Abraham Kuyper. Want hier werd hij door de allereenvoudigsten bekeerd tot de gereformeerde religie; hier doopte de jonge Kuyper, om met de historicus Gerretson te spreken, "de hand in de onvertroebelde bron van de oude volkskracht".
Hier in Beesd liep hij na Leiden zijn tweede collegegang, van arbeiderswoning naar boerenhoeve, bij arbeiders en boeren die hem over zijn religieuze onkunde ernstiger berispten dan zijn Leidse hoogleraren ooit gedaan hadden - en, hij liet het zich gezeggen. Alleen hiér in Beesd is de hoogmoedige Abraham Kuyper nederig geweest, door te luisteren naar het allereenvoudigste volk. In Beesd verscheen de jonge doctor Kuyper als predikant groot onder de kleinen, maar hij werd er klein onder diegenen wier muurvaste overtuiging hij als groots erkende.
Kuyper was, hoe vreemd het klinkt, naar buiten toe een geharnast strijder, maar van nature een tobber, en is dat levenslang gebleven. Maar in de boeren en arbeiders die te Beesd de leer van Calvijn bewaard hadden, ontmoette hij een onvermurwbaar religieus fundament, dat hij na zware strijd tot het zijne maakte.
Daarom is en blijft Beesd een monument in onze vaderlandse kerkgeschiedenis, en in zekere zin ook in onze politieke geschiedenis, een bedevaartsoord zonder bedevaartgangers, een teken van de kracht van het onaanzienlijke. Men kan Abraham Kuyper niet begrijpen zonder geestelijk in Beesd te zijn geweest.
Een vraag aan mij gesteld door één van de organisatoren van deze avond, of ik voor mijn lezing "visuele ondersteuning (dia' e.d.)" nodig had, kon ik daarom ontkennend beantwoorden, want alles is hier: de pastorie waarin Kuyper woonde, de kerk waarin hij preekte, en niet te vergeten de velden rondom Beesd, waarop hij zich, op weg naar huisbezoek, bezon op de engelenboodschap van Ephraïms velden. Hier in Beesd deed hij voor zijn gehele leven de inspiratie op die hem de kracht gaf tot een getuigenis, waarmee hij zowel duizenden heeft gesticht als duizenden geërgerd. Maar hóe men ook over zijn boodschap moge denken, deze heeft het gelaat van Nederland veranderd, zowel kerkelijk als politiek, zowel sociaal als wetenschappelijk. Veel discussie over de grondslagen van het hedendaagse leven gaat nog steeds over Kuyper en het licht dat hem hier is opgegaan!
Daarom verdient Beesd een blijvende plaats in onze geschiedenis, omdat Kuyper een blijvende plaats verdient in de bezinning op onze geestelijke volksontwikkeling. En men kán de latere Kuyper nu eenmaal nooit en nooit begrijpen, zonder te beseffen dat zijn definitieve confessionele bekering geen wetenschappelijke was, maar een religieuze, die tot stand kwam in de gesprekken met de allereenvoudigste boeren en arbeiders van Beesd, die hem geestelijk de weg gewezen hebben. Abraham Kuyper's intellectuele vorming moge te Leiden hebben plaats gevonden, zijn granieten overtuiging is gevormd te Beesd en nergens anders.
Dát is de betekenis van Dr. Abraham Kuyper en Beesd, waarover u mij hedenavond vroeg te spreken.

G. PUCHINGER.